De huidige veilingpraktijk wordt gedomineerd door de handel, al dan
niet in samenwerkingsverbanden.
Niet ingrijpen op de veiling leidt tot een 35% tot soms wel 50% lagere
opbrengst en daardoor tot een onnodig groot verlies en dus ook een
onnodig hoge restschuld.
Geen enkele geldgever wil persé veilen; sterker nog het liefst willen zij een
veiling voorkomen.
Geldgevers moeten uit hoofde van zowel hun eigen belang (verliesbeperking),
hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en het belang van de klant
(Zorgplicht) een actieve rol vervullen. Dit omvat zowel het -waar mogelijk-
voorkomen van een executieveiling, maar ook zorg dragen voor een maximale
opbrengst op de veiling.
De belangen van de klant en die van de geldgever lopen in feite dus parallel.
 |